Logo Kleine Grote VragenKleine Grote Vragen

Waarom loopt mijn schaduw met mij mee?

Aarde en ruimte

Het korte antwoord

Licht gaat in rechte lijnen. Sta jij in de zon, dan houdt je lichaam een stukje licht tegen en komt er aan de andere kant van jou minder licht op de grond. Die donkere plek is je schaduw. Beweeg je, dan schuift die plek mee.

Waarom loopt mijn schaduw steeds met mij mee?

Je loopt over de stoep en daar is hij weer. Jij zet een stap, hij zet een stap. Jij rent, hij rent. Je springt en hij springt precies tegelijk.

Hoe doet hij dat?

Licht van de zon gaat in rechte lijnen. Het kan niet om jou heen buigen. Als jij in de zon staat, houdt je lichaam een stukje van dat licht tegen. Op de grond aan de andere kant van jou komt dan minder licht. Die donkere plek is je schaduw.

Je schaduw is eigenlijk geen ding. Het is een stukje grond waar het licht niet bij kan, omdat jij in de weg staat. Zet je een stap, dan sta je ergens anders in de weg en ligt de donkere plek ook ergens anders. Daarom raak je je schaduw nooit kwijt, hoe hard je ook rent.

De zon staat niet de hele dag even hoog. ’s Ochtends en ’s avonds staat hij laag en krijg je een lange schaduw met superlange benen. Midden op de dag staat de zon het hoogst en is je schaduw kort.

Een lamp doet precies hetzelfde. Zet ’s avonds een zaklamp aan en je schaduw verschijnt op de muur. Ga dichter bij de lamp staan en je schaduw wordt groter. Met je handen kun je er zelfs een konijn of een hond van maken.

Ga samen verder

Zet op een zonnige dag een fles of een stok buiten neer. Leg ’s ochtends, ’s middags en aan het eind van de middag een steentje bij het puntje van de schaduw. Welke kant wandelt de schaduw op, en wanneer is hij het kortst?

Probeer het zelf

Je schaduw loopt overal met je mee. Maar is hij de hele dag even lang? Met een stoepkrijtje kom je erachter. Naar het proefje: Teken je schaduw

Voor ouders

Een schaduw ontstaat doordat licht zich in rechte lijnen voortplant. Een ondoorzichtig voorwerp houdt het licht tegen, waardoor erachter een gebied ontstaat waar geen of minder licht komt. Een schaduw valt dus altijd aan de kant die van de lichtbron af ligt. De zon staat zo ver weg dat de stralen vrijwel evenwijdig bij ons aankomen. Staat de zon laag, dan vallen de stralen schuin en is je schaduw langer dan jijzelf. Hoe hoger de zon, hoe korter de schaduw. In Nederland staat de zon nooit recht boven je, dus je hebt hier altijd wel een stukje schaduw.

Bij een lamp dichtbij gaan de stralen als een waaier uit elkaar. Daarom wordt je schaduw groter als je dichter bij de lamp gaat staan. Aan de rand van een schaduw zie je vaak een lichtere, vage strook. Dat heet halfschaduw. Daar komt nog een deel van het licht, omdat een lichtbron geen piepklein puntje is maar een bepaalde grootte heeft.

Staat de vraag van jouw kind er nog niet tussen?

Stuur hem in. Ik lees ze allemaal en kies er regelmatig een om uit te zoeken.

Stuur een vraag in